Teksten en filmpje van jongerenviering 9 juli

9 juli hebben we met Loes van Laar een viering gedaan die is voorbereid en mee uitgevoerd door de jongeren van Emmaüs. Met opzet zijn niet alle teksten in de liturgie en beamerpresentatie opgenomen, om het verrassingseffect zo groot mogelijk te maken.

Hieronder vindt u de teksten en het filmpje

Het Woord. Uit uit deel 1 van de Bijbel voor Ongelovigen  van Guus Kuijer

“Het begon met een woord. Het was een woord dat zomaar in mijn hoofd opkwam en nergens bij hoorde. En dat woord was: GOD. Het was eigenlijk een woord van niets, maar het sprak me aan. Het straalde kracht uit, maar het betekende niets en het had niets te doen. Toen dacht ik: zo is alles begonnen.”
Toen er nog niets was, was er een woord dat heel sterk was, maar dat niet betekende en niets te doen had.
Daarom gaf ik het woord ogen, oren, handen en voeten.
Toen God eenmaal eenmaal uit zijn ogen kon kijken, dacht hij: Ik zie niets.
Wat heeft het voor zin om te kijken als er niets is?
God was helemaal alleen in de leegte.
‘Het is niet anders,’ zuchtte hij. ‘Er is niets. Ik moet er maar iets van maken.’
Hij had het nog niet gezegd of er gebeurde iets. Hij staarde verbaasd naar zijn linkerhand.
‘Hé,’ zei hij, ‘er is iets.’
Er lag een balletje in zijn hand. God keek zijn ogen uit omdat er iets was om naar te kijken. Heb ik van niets iets gemaakt? dacht hij. Hoe kan dat nou?
God dacht honderd jaar na en toen zei hij: ‘Het maakt niet uit hoe het kan. Wat kan ik ermee? Dat is een betere vraag. Wat zou er gebeuren wanneer ik dit balletje opgooi?
Hij keek naar het balletje en zei: ‘Ik ben nieuwsgierig!’
Gods hart tintelde ervan. Ik doe wat er in me opkomt, dacht hij, want dat is leuk.
Hij telde tot drie en hup daar vloog het balletje het niets in. Het spatte met een oorverdovende knal uit elkaar. ‘BENG!!’
‘Allemachtig!’ riep God geschrokken. ‘Wat een knal!’
De stukken en brokken vlogen alle kanten op omdat er een waanzinnige kracht in het balletje zat. Daar had God niet op gerekend.
Dit wordt erg omvangrijk, dacht hij. Zo meteen ontstaat er iets waarin ik wordt opgeslokt.
De stukken en brokken vlogen steeds verder uit elkaar waardoor er een ruimte ontstond.
God had nooit ergens gewoond, maar nu woonde hij ergens. Het was er een troep. Alles vloog door elkaar en knarste en barstte. De vonken vlogen ervan af. Het was een chaos.
Dat komt ervan als je nieuwsgierig bent, dacht God. Maar goed, het is nu eenmaal gebeurd.
God dacht dat hij het balletje had laten ontploffen, maar misschien was dat zonder hem ook wel gebeurd, wie zal het zeggen?
Eén ding is zeker: God verveelde zich niet meer, omdat alles uit de hand was gelopen. Ik denk dat er orde moet komen in de chaos, dacht hij, want hier word ik erg moe van.
God hoopte dat er een plan was om de boel op orde te krijgen, maar het was zo’n enorme rotzooi dat er geen beginnen aan leek.
Laat het begin alsjeblieft beginnen, dacht hij. Hij wachtte geduldig een miljoen jaar, maar toen was het begin nog steeds niet begonnen.
Het begint niet zomaar, dacht God. Misschien moet ik er iets aan doen. Maar wat? God piekerde zich suf en voelde zich akelig machteloos. Wat kon één enkele god beginnen tegen zoveel troep? Waarom stond hij er alleen voor?
Alles wat ik zie is uit dat balletje gekomen, dacht hij. Maar waar kom ik eigenlijk vandaan?
Hij wist het niet. En waar zijn de andere goden?
Vragen genoeg.
Toen God begreep dat piekeren niet hielp, begon hij te denken.
Wanneer was dat balletje in zijn hand ook al weer ontstaan? Was het niet nadat hij iets had gezegd?
‘Het woord!’ riep God verrukt. ‘De kracht zit in het woord!’
Het was alsof hij opeens alles begreep. Hij begreep zelfs wat hij was.
Ik ben een woord. Een woord van jewelste, een woord als een ontploffing!
Het is goed om te weten wat je bent! God wist nu zeker dat hij bestond.
In het begin was er een woord, dacht hij. En dat woord was ik. Het begin is dus allang begonnen.

Lezing uit 1 Korintiërs 13

1 Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen – had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal. 2 Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen – had ik de liefde niet, ik zou niets zijn. 3 Al verkocht ik mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven, al gaf ik mijn lichaam prijs en kon ik daar trots op zijn – had ik de liefde niet, het zou mij niet baten.
4 De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid. 5 Ze is niet grof en niet zelfzuchtig, ze laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan, 6 ze verheugt zich niet over het onrecht maar vindt vreugde in de waarheid. 7 Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze.
8 De liefde zal nooit vergaan. Profetieën zullen verdwijnen, klanktaal zal verstommen, kennis verloren gaan – 9 want ons kennen schiet tekort en ons profeteren is beperkt. 10 Wanneer het volmaakte komt zal wat beperkt is verdwijnen. 11 Toen ik nog een kind was sprak ik als een kind, dacht ik als een kind, redeneerde ik als een kind. Nu ik volwassen ben heb ik al het kinderlijke achter me gelaten. 12 Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben. 13 Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde.

 

Huisje (Herman van Veen)

Gisteren
heb ik Gods huis gezien,
precies zoals ik het gedroomd had
met rode pannen
halve deurtjes
en groene luiken
vlak achter de populieren
bij de dijk.

M’n hart
bonkte
in m’n
keel.

Doodnerveus
liep ik naar de voordeur.

Inderdaad.
Op het naambordje stond
G punt Od.

De kans van mijn leven
hem te spreken vóór de hemel.

Had wel duizend vragen
nam mij voor
met een eenvoudige te beginnen.
Niet meteen m’n kruit te verschieten:
‘Zeg, waarom zijn er in jouw naam
en vaderland zoveel oorlogen gevoerd
en zoveel mensen opgeofferd?’
Dat
zou hem kunnen afschrikken.
Ik bedacht een simpel vraagje.
Ik zou beginnen met:
‘Dag God,
doet u ook mee
aan de lotto?’

Stelde me voor
dat ie dan zou grinniken en zeggen:
‘Nee jongeman,
de kansen liggen in jezelf.”
Of zoiets.
In ieder geval
iets diep.

Ik bleef nerveus
haalde diep adem
klopte op de deur.
Een klein
oud vrouwtje deed open.
‘Dag mevrouw.
Is God thuis?’

‘Daar spreek je mee,
meisje.’

Filmpje Waarheidssprekers, op “Jij bent de Liefde:” van Guus Meeuwis

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *